ECLI:NL:RVS:2022:1910

Raad van State 2022-07-06 — Bestuursrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910, zaaknummer 202100349/1/A3, hoger beroep. Kernvraag — Is een sluiting van 24 maanden op grond van art. 13b Opiumwet evenredig, gelet op de verminderde verwijtbaarheid van de eigenares als verhuurder, en heeft de burgemeester het verbod van reformatio in peius geschonden door in bezwaar alsnog recidive aan de sluiting ten grondslag te leggen? Feiten — Appellante is eigenares van een bedrijfspand, waarvan een deel werd onderverhuurd. Op 27 mei 2019 trof de politie bij een doorzoeking in het onderverhuurde deel 5,3 g cocaïne, 50 ml morfine, verpakkingsmateriaal, een weegschaal, versnijdingsmiddel en twee wapens aan. In 2017 was in hetzelfde pand ook al harddrugs aangetroffen; van dat incident had de burgemeester appellante destijds niet schriftelijk in kennis gesteld. De burgemeester sloot het pand voor 24 maanden op grond van zijn Damoclesbeleid. In bezwaar handhaafde hij die duur, maar baseerde de sluiting nu (anders dan in het primaire besluit) expliciet op recidive. Overwegingen — Wat betreft reformatio in peius oordeelt de Afdeling dat appellante door het besluit op bezwaar niet in een slechtere positie is komen te verkeren. In het primaire besluit was al verdisconteerd dat eerder harddrugs waren aangetroffen; het Damoclesbeleid was daarin slechts onjuist toegepast. De burgemeester heeft dit in bezwaar hersteld zonder de sluitingstermijn te verlengen. Ook toekomstige drug…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken