Raad van State 2019-08-28 — Bestuursrecht
Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, zaaknummer 201806582/1/A3, hoger beroep. Kernvraag — Heeft de burgemeester van Maastricht in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid op grond van art. 13b lid 1 Opiumwet om een woning voor zes maanden te sluiten, gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de bewoner? Tevens zet de Afdeling het beoordelingskader voor woningsluitingen op grond van art. 13b Opiumwet op hoofdlijnen uiteen. Feiten — Bij doorzoeking van de huurwoning op 10 januari 2018 trof de politie harddrugs aan (MDMA en cocaïne, in totaal een handelshoeveelheid). De woning werd bewoond door de huurster en haar minderjarige dochter, die lijdt aan een ernstige allergieproblematiek; de woning is in de loop der jaren specifiek op haar toestand aangepast. De harddrugs bleken toe te behoren aan de inmiddels ex-partner van de huurster, die slechts van tijd tot tijd in de woning verbleef; de drugs werden via internet verhandeld en per post verzonden. De huurster is niet als verdachte aangemerkt. De burgemeester gelastte sluiting voor zes maanden op grond van zijn Damoclesbeleid. Overwegingen — De Afdeling zet in r.o. 4 t/m 4.2.3 het beoordelingskader uiteen en past dit toe in r.o. 5 t/m 5.2. Het kader bestaat uit twee stappen: noodzakelijkheid (r.o. 4.1) en evenredigheid (r.o. 4.2). Noodzakelijkheid (r.o. 4.1.1): Bij meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs is het…