Raad van State 2024-03-27 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189, zaaknummer 202300156/1/V1, hoger beroep. Kernvraag — Bestaat er tussen een Syrische moeder (58 jaar) en haar volwassen zoon met een asielvergunning in Nederland familieleven in de zin van art. 8 EVRM, en zo nee, is de staatssecretaris dan gehouden een belangenafweging te maken bij de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf? Feiten — De vreemdeling, een Syrische vrouw, wil op grond van art. 8 EVRM verblijf als gezinslid bij haar volwassen zoon (referent), die in 2015 uit Syrië is gevlucht en sinds 2018 een asielvergunning heeft. Referent is in 2011 gaan werken en was kostwinner; van 2013 tot zijn vlucht in 2015 woonden moeder en zoon niet meer samen. De vreemdeling heeft hart- en vaatziekten, diabetes en polsklachten, waarvoor zij periodieke controles ondergaat. De staatssecretaris weigerde de mvv, onder meer omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaar wegens ondeugdelijke motivering van de belangenafweging, maar oordeelde dat het standpunt over de afwezigheid van bijkomende afhankelijkheid op zichzelf stand hield. Oordeel hof — Niet van toepassing (uitspraak van de Raad van State). Overwegingen — De Afdeling stelt voorop (r.o. 1.1) dat de uitspraak betrekking heeft op gezinshereniging op grond van art. 8 EVRM van een familielid dat niet tot het kerngezin behoort; een kerngezin bestaat…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken