Raad van State 2024-03-27 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, zaaknummer 202107069/1/V2, hoger beroep. Kernvraag — Onder welke omstandigheden levert een langdurige en feitelijk ouderlijke verzorgingsrol van een grootmoeder ten opzichte van haar minderjarige kleinkinderen een ondeugdelijk gemotiveerde belangenafweging op bij de toetsing van een verblijfsaanvraag op grond van art. 8 EVRM? Daarnaast: mocht de staatssecretaris het bezwaar (opnieuw) kennelijk ongegrond verklaren nadat in bezwaar een hoorzitting had plaatsgevonden? Feiten — De vreemdeling is een 62-jarige Syrische vrouw die in Turkije verblijft en verblijf vraagt bij haar twee minderjarige kleinkinderen, die sinds mei 2018 bij hun vader (referent) in Nederland wonen. De biologische moeder van de kinderen liet hen achter toen de jongste twee jaar oud was; sindsdien is er geen contact meer met haar. Vanaf 2010 tot het vertrek van de kinderen naar Nederland in mei 2018 woonde de vreemdeling samen met de kleinkinderen, eerst in Syrië, later in Turkije, en fungeerde zij als feitelijke ouder. Vanaf het vertrek van referent uit Turkije in 2015 deed zij dat alleen. Referent heeft in Nederland op 17 maart 2016 een verblijfsvergunning asiel gekregen; de aanvraag om de vreemdeling eveneens te laten overkomen is op 7 juni 2018 afgewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat er familieleven in de zin van art. 8 lid 1 EVRM bestaat tussen de vreemdeling en haar kleinkinderen, evenmin…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken