Rechtbank Rotterdam 2 maart 2026 — Civiel recht; Arbeidsrecht
Instantie en datum — Rechtbank Rotterdam (kantonrechter), 2 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2021, zaaknummer 11979811 VZ VERZ 25-6974, beschikking. Kernvraag — Heeft een arbeidsongeschikte werknemer recht op uitbetaling van vakantiedagen opgebouwd tijdens een slapend dienstverband? Daarnaast: wat is de aanvangsdatum van het dienstverband (en daarmee de hoogte van de transitievergoeding), en op welke datum heeft de opzegging effect gekregen? Feiten — Werkneemster is in dienst geweest bij werkgever. Partijen twisten over de startdatum: werkneemster stelt 16 april 1976, werkgever houdt het op 30 maart 2006. Werkneemster is op 30 juli 2023 arbeidsongeschikt geworden; de loondoorbetalingsverplichting eindigde na 104 weken op 27 juli 2025. Bij brief van 21 augustus 2025 heeft werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd "met ingang van 27 juli 2025" en een eindafrekening met transitievergoeding van € 13.866,89 bruto uitbetaald. Werkneemster verzoekt een aanvullende transitievergoeding van € 24.494,99 bruto en uitbetaling van vakantiedagen opgebouwd na 27 juli 2025. Overwegingen — De kantonrechter overweegt ten eerste, over de ontvankelijkheid (r.o. 4.2), dat de vervaltermijn van drie maanden voor een verzoek tot transitievergoeding op grond van art. 7:686a lid 4 aanhef en onder b BW pas begint te lopen vanaf de datum waarop de opzegging werkneemster heeft bereikt. Een opzegging met terugwerkende kracht kan de werknemer niet (een deel van) de vervaltermijn ontnemen. Nu de opzegbrief is…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken