Hoge Raad 2019-02-08 — Civiel recht; Arbeidsrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203, zaaknummer 18/01621, cassatie (beschikking). Kernvraag — Wanneer is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer in de zin van art. 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW, en welke omstandigheden zijn daarvoor relevant? Feiten — De werkneemster is in dienst van WDZ als woonbegeleider bij een woongroep waar zij ook zelf woonde. Na een coachingtraject en meerdere waarschuwingen wegens het niet naleven van afspraken over de scheiding van werk en privé, is in het functioneringsgesprek van 24 juni 2016 de afspraak gemaakt dat de werkneemster niet zonder toestemming van de leidinggevende met een bewoner op vakantie zou gaan. Desondanks is de werkneemster in juli 2016 zonder die toestemming te vragen met de bewoner en diens privébegeleider mee op stap gegaan en heeft zij dit aanvankelijk ontkend toen de coördinator daarnaar vroeg. WDZ heeft de werkneemster op non-actief gesteld en ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Oordeel hof — Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter, die het ontbindingsverzoek had afgewezen, vernietigd en de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Het hof heeft de transitievergoeding geweigerd omdat naar zijn oordeel sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de werkneemster: zij had toestemming moeten vragen voor de overnachting, had dat nagelaten terwijl de afspraak daarover net een maand oud was, en had aanvankelijk…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken