Hoge Raad 21 oktober 2005 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823, zaaknummer C04/142HR, cassatie. Kernvraag — In hoeverre vrijwaart een onherroepelijk geworden bouwvergunning de vergunninghouder voor aansprakelijkheid wegens onrechtmatige hinder (art. 6:162 BW) jegens buren? Meer in het bijzonder: dient de rechter bij de beoordeling van onrechtmatige hinder door een bouwwerk dat in overeenstemming met het bestemmingsplan is gerealiseerd, het toepasselijke bestemmingsplan in zijn oordeel te betrekken? Feiten — Partijen zijn buren in Heemstede. Eiser heeft in 1999 met een bouwvergunning een uitbouw achter zijn woning geplaatst. Verweerders ondervinden daardoor verlies van lichtinval en uitzicht. Aan de andere zijde van het erf van verweerders bestond reeds een soortgelijke uitbouw, waardoor een zogenaamd 'kokereffect' ontstaat. Verweerders hebben geen bezwaar gemaakt tegen de bouwvergunning, die daardoor formele rechtskracht heeft verkregen. De rechtbank veroordeelde eiser tot gedeeltelijke afbraak van de uitbouw; het hof bekrachtigde dit vonnis, behoudens ten aanzien van de dwangsom. Oordeel hof — Het hof onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de uitbouw wegens aard, ernst en duur van de hinder, alsmede de daardoor toegebrachte schade, onrechtmatig is jegens verweerders. Het hof oordeelde voorts dat de bouwvergunning eiser niet het recht geeft aan zijn buren onrechtmatige hinder toe te brengen, ook niet nu deze vergunning formele rechtskracht heeft verkregen en…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken