Hoge Raad 2024-05-31 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad (Belastingkamer), 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, zaaknummer 23/03227, cassatie. Kernvraag — Kan een overeenkomst tussen een belastingplichtige en zijn gemachtigde, op grond waarvan een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding wordt verrekend met het honorarium van de gemachtigde, eraan in de weg staan dat de belastingplichtige aanspraak maakt op een dergelijke vergoeding? Feiten — Aan belanghebbende, een B.V., is een naheffingsaanslag BPM opgelegd. Zij heeft een professionele gemachtigde aangesteld, met wie zij bij voorbaat is overeengekomen dat alle proceskostenvergoedingen, dwangsommen en schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen en worden verrekend met diens honorarium, zodat belanghebbende per saldo niets betaalt. De rechtbank stelde de overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase vast op vier maanden en veroordeelde de Staat tot betaling van € 500 aan immateriële schadevergoeding. Het hof stelde de overschrijding vast op acht maanden maar liet de vergoeding van € 500 in stand. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de vermelde overeenkomst bijzondere omstandigheden opleverde die aanleiding gaven te twijfelen aan spanning en frustratie bij belanghebbende. Nu belanghebbende bij voorbaat had afgezien van iedere vergoeding wegens termijnoverschrijding, ervaart zij persoonlijk kennelijk geen spanning en frustratie, althans hoeft zij daarvoor niet te worden gecompenseerd. Om die reden zag het hof…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken