ECLI:NL:HR:2022:975

Hoge Raad 2022-07-05 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad der Nederlanden (strafkamer), 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, zaaknummer 19/01394, cassatie. Kernvraag — Of het hof in strijd met art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv heeft nagelaten te motiveren waarom het afweek van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de op te leggen straf niet meer mocht bedragen dan het reeds ondergane voorarrest; en of de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Feiten — Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte wegens (i) poging tot afpersing in vereniging, (ii) voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gevaar te duchten is, (iii) voorbereiding van handelen in strijd met art. 26 Wet Wapens en Munitie met terroristisch oogmerk, en (iv) het voorhanden hebben van voorwerpen ter voorbereiding van brandstichting/ontploffing en van doodslag en moord met terroristisch oogmerk. Het hof legde een gevangenisstraf op van vier jaren. De verdediging had bepleit de straf te beperken tot het reeds ondergane voorarrest, onder verwijzing naar ernstige gezondheidsklachten (twee hartaanvallen tijdens detentie), naleving van schorsingsvoorwaarden, de verstreken tijd, vergelijkbare terrorismezaken en de toekomstperspectief van de verdachte. Oordeel hof — Het hof volgde de vordering van de advocaat-generaal en legde een gevangenisstraf van vier jaren op. Het wees op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, het maatschappelijk onrust-wekkende karakter daarvan, en de…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken