ECLI:NL:HR:2008:BD2578

Hoge Raad 2008-06-17 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, zaaknummer S 01946/07, cassatie. Kernvraag — Welke uitgangspunten en regels gelden voor de beoordeling van schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn (art. 6 lid 1 EVRM) in straf- en ontnemingszaken, en welke rechtsgevolgen verbindt de rechter aan een geconstateerde overschrijding? Feiten — Het hof veroordeelde verdachte wegens gijzeling (meermalen gepleegd) tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verdachte stelde op 10 juli 2006 beroep in cassatie in; de stukken kwamen op 22 juni 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnen, waarmee de inzendingstermijn van acht maanden werd overschreden. Oordeel hof — Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en legde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op van twee weken. Overwegingen — De Hoge Raad grijpt de zaak aan om de eerder in HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721 en HR 9 januari 2001, NJ 2001/307 geformuleerde uitgangspunten samen te vatten en aan te passen. De voornaamste regels zijn de volgende. Aanvang redelijke termijn (r.o. 3.12.1): de termijn begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat het openbaar ministerie een strafvervolging zal instellen. Art. 6 EVRM dwingt er niet toe het eerste politieverhoor steeds als zodanig aan te merken; inverzekeringstelling en betekening van…