Hoge Raad 2006-04-11 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, zaaknummer 01324/05, cassatie. Kernvraag — Wat is de reikwijdte van de motiveringsplicht van art. 359 lid 2 (tweede volzin) Sv, zoals ingevoerd bij de Wet bekennende verdachte per 1 januari 2005, en wanneer is sprake van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" dat bij niet-aanvaarding noopt tot nadere motivering? Daarnaast lag voor of deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 lid 1 Sr het bestaan van "geledingen" en "hiërarchie" vereist. Feiten — Verdachte is door het Hof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor — onder meer — deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 lid 1 Sr) die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten. De organisatie bestond uit verdachte, zijn zoon en een derde die knipwerkzaamheden verrichtte. De raadsman voerde ter terechtzitting in hoger beroep aan dat geen sprake was van een criminele organisatie omdat slechts vader en zoon samenwerkten, dat medeverdachte als zelfstandige werkte en niet was ingebed in een organisatiestructuur, en dat van "geledingen" en "hiërarchie" in de zin van de jurisprudentie geen sprake was. Oordeel hof — Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde verdachte tot vijftien maanden gevangenisstraf waarvan vijf maanden voorwaardelijk. Het Hof achtte de deelneming aan een criminele organisatie bewezen op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zonder afzonderlijk in te gaan op het verweer dat "geledingen" en "h…