Gerechtshof Den Haag 2026-07-08 — Strafrecht
Instantie en datum — Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2238, zaaknummer 22-003380-25, hoger beroep na terugwijzing door de Hoge Raad. Kernvraag — Kan de partner van het slachtoffer, met wie de verdachte een LAT-relatie onderhield, als "naaste" in de zin van art. 6:108 lid 4 onder g BW worden aangemerkt, zodat zij aanspraak heeft op vergoeding van affectieschade en schokschade? Feiten — De verdachte is onherroepelijk veroordeeld voor (onder meer) de dood van het slachtoffer. De benadeelde partij was de partner van het slachtoffer en onderhield met hem een LAT-relatie. Zij was als politieambtenaar één van de eerste personen ter plaatse en trof het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op straat aan. Bij haar is nadien een PTSS gediagnosticeerd. De Hoge Raad vernietigde het eerdere arrest van het hof van 16 juli 2024 uitsluitend ten aanzien van de toewijzing van affectieschade (€ 17.500,-) en schokschade (€ 25.000,-) en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregel, wegens ontoereikende motivering van het oordeel dat de benadeelde partij als "naaste" kon worden aangemerkt. Overwegingen — Het hof beoordeelt opnieuw of de benadeelde partij als naaste in de zin van art. 6:108 lid 4 onder g BW kwalificeert. De grondslag van de affectieschadevordering is ter terechtzitting na terugwijzing beperkt tot die bepaling (r.o. over affectieschade). Voor toewijzing op die grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat een zodanige nauwe pe…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken