Hoge Raad 2022-07-08 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033, zaaknummer 21/04695, cassatie. Kernvraag — Kan een door de Ontvanger op grond van art. 24 Invorderingswet 1990 genomen besluit tot verrekening van een teruggave met een openstaande belastingschuld worden aangevochten bij de belastingrechter, en diende het hof de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en de rechtbank onbevoegd te verklaren? Feiten — Bij de aanslag IB/PVV 2018 deelde de Belastingdienst aan belanghebbende mee dat een teruggave zou worden verrekend met een openstaande belastingschuld op grond van art. 24 lid 1 Invorderingswet 1990. Belanghebbende maakte bezwaar; de Ontvanger verklaarde dit niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het verrekenbesluit niet in de vorm van een voor bezwaar vatbare beschikking is genomen en dat de belastingrechter niet bevoegd is. Het hof deelde dit oordeel over de onbevoegdheid, vernietigde echter de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de rechtbank onbevoegd. Belanghebbende beoogde met zijn beroep en hoger beroep vergoeding van schade toe te rekenen aan het optreden van de Belastingdienst. Oordeel hof — Het hof leidde uit de toepasselijke bepalingen in de AWR en de Awb af dat de bestuursrechter (belastingrechter) ter zake van een krachtens art. 24 Invorderingswet 1990 genomen besluit niet bevoegd is. Op die grond vernietigde het hof de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het de rechtbank onbevoegd. Overwegingen — De…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken