Hoge Raad 2021-06-01 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, zaaknummer 19/01719, cassatie. Kernvraag — Of de door het hof opgelegde schadevergoedingsmaatregel met vervangende hechtenis van 365 dagen stand kan houden, en of overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase moet leiden tot strafvermindering. Feiten — Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 21 maart 2019 veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren (subsidiair 90 dagen hechtenis) en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van een slachtoffer, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. De stukken zijn door het hof te laat ingezonden in cassatie, en de Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Overwegingen — Het eerste cassatiemiddel wordt verworpen via art. 81 lid 1 RO: beantwoording van de daarin opgeworpen klachten is niet nodig voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (r.o. 2). Het tweede cassatiemiddel, gericht tegen de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel, slaagt (r.o. 3.3). De Hoge Raad vernietigt op dit punt overeenkomstig HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914. Omdat de vervangende hechtenis meer dan 360 dagen bedraagt, wordt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast bepaald op een jaar. Nu de bestreden uitspraak vóór 1 januari 2020 is gewezen, moet onder een jaar in dit verband 360 dagen worden verstaan; gijzeling op grond van art. 6…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken