Hoge Raad 2020-05-26 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad der Nederlanden (Strafkamer), 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, zaaknummer 19/01604, cassatie. Kernvraag — Dient bij een vóór 1 januari 2020 begaan feit de na dat tijdstip ingevoerde regeling van gijzeling (art. 6:4:20 Sv) in plaats van vervangende hechtenis te worden verbonden aan een schadevergoedingsmaatregel, en zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de overgangsbepalingen van de Wet USB? Feiten — Het hof veroordeelde verdachte voor moord en diefstal (gepleegd op 3/4 maart 2016) tot twintig jaar gevangenisstraf. Het hof legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op van € 46.105,85 en verbond daaraan vervangende hechtenis van 265 dagen voor het geval van niet-betaling. De cassatiemiddelen van de verdachte werden door de A-G en door de Hoge Raad beoordeeld; de Hoge Raad behandelde de ambtshalve kwestie over de vervangende hechtenis afzonderlijk. Oordeel hof — Het hof verbond vervangende hechtenis aan de schadevergoedingsmaatregel. Dit was conform het recht zoals dat gold ten tijde van het bewezenverklaarde, doch het hof hield geen rekening met de per 1 januari 2020 gewijzigde wetgeving. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak op dit punt. Overwegingen — De door de verdachte ingediende cassatieklachten falen. De Hoge Raad hoeft de verwerping daarvan niet te motiveren, nu beantwoording van de gestelde vragen niet nodig is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO) (r.o. 3). Met ingang van 1 januari 2020 is door de Wet US…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken