Hoge Raad 2020-04-07 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad der Nederlanden (strafkamer), 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626, zaaknummer 19/03282, cassatie in het belang der wet. Kernvraag — Dient de rechter bij de beoordeling van een bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van een DNA-profiel de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het misdrijf minderjarig was, te betrekken bij de uitzonderingsgrond "bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd" als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden? Feiten — Een minderjarige is veroordeeld voor het medeplegen van brandstichting in een schoolgebouw, waarbij hij samen met anderen open vuur in aanraking heeft gebracht met in spiritus gedrenkt toiletpapier, waardoor een toiletruimte volledig afbrandde. De rechtbank legde een leerstraf van 35 uren en een voorwaardelijke werkstraf van 50 uren op. De officier van justitie gaf hierop een bevel tot DNA-afname; de veroordeelde diende een bezwaarschrift in. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat de wettelijke uitzonderingsgronden zich niet voordeden en de enkele jonge leeftijd alsmede het first-offender-zijn op zichzelf geen grond voor uitzondering opleverden. Overwegingen — De Hoge Raad herhaalt eerst zijn arrest van 13 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC8234). Daarin overwoog de Hoge Raad dat de Wet als uitgangspunt heeft dat bij iedere veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen, dat voor een verdere belangenafweging geen plaats is en dat geen on…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken