Hoge Raad 2020-12-01 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, zaaknummer 18/03503, cassatie. Kernvraag — Wanneer kunnen aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek rechtsgevolgen worden verbonden op grond van art. 359a Sv, en in het bijzonder: leidt geweld door opsporingsambtenaren tijdens de insluiting van de verdachte tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en/of strafvermindering? Feiten — De verdachte is veroordeeld voor gekwalificeerde diefstal (meermalen gepleegd) tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Na zijn aanhouding is hij ingesloten op een politiebureau, waar hij volgens de verdediging door opsporingsambtenaren is geslagen en geschopt, naakt in een isoleercel is achtergelaten en op een mensonterende wijze is behandeld. Camerabeelden zijn deels overschreven; een verzoek van de raadsman om de beelden vóór de voorgeleiding veilig te stellen werd door de officier van justitie niet gehonoreerd. De raadsman heeft betoogd dat dit alles een schending oplevert van art. 3, 5 en 6 EVRM en moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, althans tot strafvermindering. Oordeel hof — Het hof verwierp het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring omdat de grieven van de raadsman uitsluitend de fysieke behandeling tijdens insluiting betroffen en niet de behandeling van de zaak zelf; de gewraakte handelwijze viel zijns inziens buiten het toepassingsbereik van art. 359a Sv. Het verweer tot strafvermindering w…