Hoge Raad 2019-01-29 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, zaaknummer 17/06060, cassatie. Kernvraag — Kan de rechter bij het bewijs van opzetheling (art. 416 lid 1 onder a Sr) in aanmerking nemen dat de verdachte geen aannemelijke ontlastende verklaring heeft gegeven, en staat art. 6 lid 2 EVRM dan wel art. 6 Richtlijn 2016/343/EU daaraan in de weg? Voorts: hoe moet de eis dat de verdachte reeds "ten tijde van" het voorhanden krijgen wist dat het goed van misdrijf afkomstig was, worden bewezen? Feiten — Een Renault Captur werd in de nacht van 14 op 15 augustus 2016 gestolen te Zevenbergen. Op 19 september 2016 werd de verdachte in Breda aangetroffen als bestuurder van deze auto, die op dat moment voorzien was van een ander kenteken dan het originele. De verdachte beschikte niet over autopapieren en verklaarde de auto te hebben geleend van een zekere "Betrokkene 2", van wie hij geen achternaam, adres of telefoonnummer kon opgeven. Het hof oordeelde deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig, mede omdat de verdachte opgaf de auto zes tot acht weken te bezitten terwijl de auto op dat moment pas vijf weken gestolen was. Oordeel hof — Het hof achtte opzetheling bewezen op grond van de omstandigheid dat de verdachte in de gestolen auto was aangetroffen met een vervangen kenteken en zonder autopapieren, gecombineerd met het ontbreken van een geloofwaardige ontlastende verklaring. Het hof leidde hieruit af dat de verdachte ook ten tijde van het voorhanden krijgen wetenschap…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken