ECLI:NL:HR:2019:393

Hoge Raad 2019-03-22 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, zaaknummer 18/01157, cassatie. Kernvraag — Vereist het Unierechtelijke recht om te worden gehoord dat een belastingplichtige wordt uitgenodigd voor een mondeling hoorgesprek voordat een naheffingsaanslag bpm wordt opgelegd? En vormt het opleggen van een naheffingsaanslag bpm aan de koper van een vanuit een andere lidstaat ingevoerd gebruikt motorvoertuig een schending van art. 110 VWEU? Feiten — Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd na registratie van een vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht gebruikt motorvoertuig in het Nederlandse kentekenregister. Het hof bekrachtigde zowel de naheffing als de wijze waarop belanghebbende in de gelegenheid was gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat naheffing op grond van art. 20 AWR mogelijk is nadat het belastbare feit (registratie) zich heeft voorgedaan. Het hof oordeelde voorts dat de naheffingsaanslag art. 110 VWEU niet schendt, mits het nageheven bedrag niet hoger is dan de bpm die geacht wordt te rusten op vergelijkbare in het binnenland geregistreerde gebruikte voertuigen. Eventuele kosten van rechtsbijstand maken dat oordeel niet anders. Overwegingen — Met betrekking tot middel I (r.o. 2.1) overweegt de Hoge Raad dat het Unierechtelijke recht om te worden gehoord inhoudt dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zijn standpunt over…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken