Rechtbank Den Haag 12 oktober 2020 — Civiel recht; Arbeidsrecht
Instantie en datum — Rechtbank Den Haag (kantonrechter), 12 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10305, zaaknummer 8598342/20-50368, beschikking. Kernvraag — Op welk bedrag en over welke periode dient de transitievergoeding te worden berekend wanneer een slapend dienstverband niet via wederzijds goedvinden is beëindigd maar uiteindelijk na een UWV-procedure is opgezegd, en heeft de werknemer recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging? Feiten — Verzoekster is sinds 15 mei 2006 in dienst, via overgang van onderneming per 18 november 2018 bij CSU. Op 14 september 2017 is zij uitgevallen wegens ziekte; na 104 weken arbeidsongeschiktheid is op 12 september 2019 een WIA-uitkering toegekend. Op 9 december 2019 verzocht verzoekster onder verwijzing naar HR 8 november 2019 (Xella) om beëindiging met wederzijds goedvinden per 15 december 2019. Partijen kwamen niet tot overeenstemming over de hoogte van de transitievergoeding, waarna CSU een UWV-procedure startte. Na verkregen toestemming zegde CSU de arbeidsovereenkomst bij brief van 17 maart 2020 op per 1 mei 2020, met de mededeling de opzegtermijn niet in acht te nemen. Overwegingen — Over de berekeningsgrondslag van de transitievergoeding overweegt de kantonrechter (r.o. 5.2–5.4) dat ook al eindigde het dienstverband formeel op 1 mei 2020, aansluiting bij de Xella-maatstaf meebrengt dat de transitievergoeding wordt berekend naar de stand op 12 september 2019 — de dag waarop verzoekster 104 weken arbeidsongeschikt was. Het f…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken