ECLI:NL:HR:2018:717

Hoge Raad 2018-05-15 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, zaaknummer 17/03754, cassatie (strafkamer). Kernvraag — Of het oordeel van het hof dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, en meer specifiek of het steunbewijs betrekking moet hebben op de tenlastegelegde gedragingen zelf. Feiten — Verdachte werd vervolgd wegens het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige jongen (geboren 2005) in de periode januari 2013 tot en met november 2014. Het slachtoffer legde een betrouwbaar bevonden studioverklaring af. Verdachte ontkende. Het hof oordeelde dat contextueel steunbewijs voorhanden was (verdachte bracht het slachtoffer naar bed, sliep met hem in één bed, speelde met hem videogames onder een plaid), maar dat dit onvoldoende concrete steun bood voor de tenlastegelegde handelingen zelf. Het hof sprak verdachte vrij wegens gebrek aan voldoende kwalitatief steunbewijs. Overwegingen — Het OM stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geëist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen zelf (r.o. 2.4). De Hoge Raad overweegt in r.o. 2.3 dat art. 342 lid 2 Sv de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan, en dat de bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing: de rechter is verboden tot een bewezenverklaring te komen indien de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op z…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken