Hoge Raad 2018-03-20 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, zaaknummer S 16/02155, cassatie. Kernvraag — Kan een verdachte die enig bestuurder, aandeelhouder én werknemer is van een rechtspersoon, deelnemen aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 lid 1 Sr in een samenwerkingsverband dat uitsluitend bestaat uit hemzelf als natuurlijk persoon en die rechtspersoon? Feiten — De verdachte is veroordeeld wegens onder meer deelname aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) in de periode 1 juni 2002 tot en met 30 juni 2006. Die organisatie bestond volgens de bewezenverklaring uit meerdere (rechts)personen, waaronder [C] B.V. In de door de rechtbank als "De criminele organisatie in de tijd van [C] BV" aangeduide periode (10 oktober 2002 tot en met 31 december 2003) was de verdachte zowel enig bestuurder en aandeelhouder als enige werknemer van [C] B.V. Oordeel hof — Het hof heeft de bewezenverklaring van de rechtbank overgenomen, inclusief het onderdeel dat de verdachte gedurende de [C] B.V.-periode deelnam aan de criminele organisatie, mede bestaande uit die vennootschap. Het hof heeft niet onderkend dat de verdachte in die periode volledig met [C] B.V. moet worden vereenzelvigd. Overwegingen — De Hoge Raad stelt voorop (r.o. 2.3.2) dat voor een "organisatie" in de zin van art. 140 Sr een samenwerkingsverband vereist is met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet vereist is dat een deelnemer heeft sameng…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken