Hoge Raad 2018-10-16 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, zaaknummer 17/01052, cassatie. Kernvraag — Aan welke eisen moet een aanhoudingsverzoek wegens verhindering van de verdachte (aanwezigheidsrecht) voldoen, en hoe dient de rechter daarop te beslissen? Heeft het hof ten onrechte verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op een ter terechtzitting gedaan aanhoudingsverzoek? Feiten — De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld voor eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie en wederspannigheid. In hoger beroep verscheen de verdachte niet ter terechtzitting van 20 januari 2017. Zijn raadsvrouw — die uitdrukkelijk gemachtigd was de verdediging te voeren — verzocht om aanhouding omdat de verdachte twee dagen eerder vader was geworden; het kind en de moeder lagen nog in het ziekenhuis, de moeder had een psychiatrische achtergrond en moest medicatie slikken, en de verdachte droeg ook de zorg voor een ouder kind van twee jaar. Het hof heeft geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op dit verzoek in het proces-verbaal opgenomen. Oordeel hof — Het hof heeft, zonder uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het aanhoudingsverzoek, de zaak inhoudelijk behandeld en afgedaan. Overwegingen — De Hoge Raad maakt gebruik van deze zaak om aan de hand van eerdere rechtspraak algemene regels te formuleren over aanhoudingsverzoeken in verband met het aanwezigheidsrecht (art. 6 lid 3 onder c EVRM). r.o. 2.3.1: Een aanhoudingsverzoek kan ter terechtzitting…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken