Hoge Raad 2018-10-05 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, zaaknummer 18/01619, prejudiciële beslissing. Kernvraag — Welke betekenis heeft een door de SVB afgegeven A1-verklaring (art. 19 Verordening 987/2009) voor de heffing van premie volksverzekeringen, in het bijzonder wanneer die verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat, wanneer een tweede A1-verklaring over hetzelfde tijdvak is afgegeven, en in hoeverre mag of moet de belastingrechter de behandeling aanhouden in afwachting van de definitieve uitkomst van een procedure over die verklaring? Feiten — Belanghebbende woonde in 2013 in Nederland en werkte als werknemer op een binnenschip waaraan een Rijnvaartverklaring was afgegeven. Tot 1 februari 2013 was hij in dienst bij een in Nederland gevestigde werkgever; daarna bij een op Cyprus gevestigde werkgever. De SVB gaf twee A1-verklaringen af: één van 4 januari 2013 (onherroepelijk geworden) en één van 24 juni 2014, beide inhoudende dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was. Over de A1-verklaring van 24 juni 2014 liep een bestuursrechtelijke procedure; de CRvB had de SVB opgedragen een nieuw besluit te nemen. Aan belanghebbende was een aanslag IB/PVV 2013 opgelegd; de A1-verklaring van 24 juni 2014 stond bij het opleggen van de aanslag en ook daarna nog niet onherroepelijk vast. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stelde zes prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 5.3 voorop dat de rechtskracht van e…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken