Hoge Raad 2017-04-21 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, zaaknummers 15/05278 e.a., cassatie. Kernvraag — In hoeverre staat het leerstuk van fraus legis in de weg aan aftrek van rente die Nederlandse 'winstvennootschappen' verschuldigd zijn aan een buitenlandse concernentiteit, wanneer die rentelasten worden afgezet tegen winsten die de vennootschappen reeds hadden behaald vóór hun overname door het concern? Voorts: wanneer is bij een fiscale vergrijpboete sprake van een 'pleitbaar standpunt', en welke maatstaf – objectief of subjectief – geldt daarvoor? Feiten — Een Zwitsers bankenconcern kocht in de jaren 2005–2008 negen Nederlandse vennootschappen die hun onderneming of activa al hadden overgedragen vóór de overname en op dat moment uitsluitend bestonden uit liquide middelen en een openstaande vennootschapsbelastingschuld van gezamenlijk ruim € 91 miljoen. Na de overname namen deze vennootschappen bij [X London Branch] – een vaste inrichting van [X] A.G. in het Verenigd Koninkrijk – omvangrijke leningen op (in totaal steeds circa € 4.600 miljoen), waarmee zij vermogen stortten in of deelnemingen verwierven in andere concernvennootschappen; de opbrengsten uit die deelnemingen vielen onder de deelnemingsvrijstelling. De geleende gelden kwamen uiteindelijk als vreemd vermogen ter beschikking van [X Ltd], een concernvennootschap zonder banklicentie. De door de belanghebbenden aan [X London Branch] betaalde rente werd in het Verenigd Koninkrijk bij [X London Branch]…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken