ECLI:NL:HR:2017:463

Hoge Raad 2017-03-21 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, zaaknummer 15/05234, cassatie. Kernvraag — Kan een (voltooide dan wel dreigende) inbreuk op art. 6 EVRM, in het bijzonder door gestelde politiële uitlokking door DEA-agenten, leiden tot ontoelaatbaarverklaring van een verzochte uitlevering ter strafvervolging, en welke rol is daarin weggelegd voor de uitleveringsrechter respectievelijk de Gouverneur? Feiten — De Verenigde Staten verzochten om uitlevering van de opgeëiste persoon ter strafvervolging voor feiten omschreven in een affidavit van de Assistant United States Attorney for the Southern District of Florida. De verdediging voerde aan dat DEA-agenten de opgeëiste persoon actief hebben uitgelokt tot het begaan van de ten laste gelegde feiten: zij namen het initiatief, herhaalden hun aanbod nadat hij aanvankelijk weigerde, beloofden aanzienlijke geldbedragen en verschaften de middelen (nepcocaïne), zodat het wilsbesluit bij de opgeëiste persoon door de DEA is opgewekt. Oordeel hof — Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie verklaarde de uitlevering toelaatbaar. Het Hof verwierp het beroep op art. 6 EVRM met de overweging dat een voltooide inbreuk op dat artikel nimmer kan leiden tot ontoelaatbaarverklaring van een uitlevering ter strafvervolging, en dat voor zover het betoog op een dreigende schending wees, de uitleveringsrechter sowieso niet toekomt aan een oordeel over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende st…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken