Hoge Raad 2017-03-14 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, zaaknummer 16/01963, cassatie. Kernvraag — Of het eerste vereiste voor deelneming aan een criminele of terroristische organisatie in de zin van art. 140 en 140a Sr — het behoren tot het samenwerkingsverband — ook geldt voor de in art. 140 lid 4 en art. 140a lid 3 Sr omschreven gedragingen van het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun en het werven van gelden of personen. Feiten — Verdachte heeft in de periode februari 2009 tot en met maart 2010 via vier money transfers geld overgemaakt aan tussenpersonen die verbonden waren aan de IJU (Islamic Jihad Union) en/of de DTM (Deutsche Taliban Mujahideen). Het hof heeft haar vrijgesproken van deelneming aan een terroristische organisatie (feit 1) en deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie IJU (feit 2). De Advocaat-Generaal bij het hof heeft cassatieberoep ingesteld; namens de verdachte zijn geen middelen ingediend. Oordeel hof — Het hof heeft de verdachte vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend bewezen was dat zij behoorde tot het samenwerkingsverband van de IJU en/of DTM. Hoewel zij als buitenstaander geld had opgestuurd naar tussenpersonen die verbonden waren aan die organisaties, was daarmee niet voldaan aan het eerste vereiste voor deelneming: het behoren tot het gestructureerde samenwerkingsverband. Overwegingen — De Advocaat-Generaal bij het hof stelde in cassatie dat het lidmaatschapsvereiste (het b…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken