Hoge Raad 2017-02-24 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, zaaknummer 16/02302, cassatie. Kernvraag — Wat is de grens voor een "zeer gering financieel belang" in de zin van het arrest BNB 2014/5, bij welk belang geen aanleiding bestaat de overschrijding van de redelijke termijn te veronderstellen spanning en frustratie te hebben veroorzaakt, en dus geen recht op vergoeding van immateriële schade bestaat? Feiten — Belanghebbende is eigenaar van een woning in Waalwijk. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde naar peildatum 1 januari 2009 vastgesteld op € 295.000 en na bezwaar verminderd tot € 268.000. Het financiële belang van de procedure bedraagt € 195,65. Het bezwaarschrift werd ontvangen op 25 maart 2010; de rechtbank deed uitspraak op 16 oktober 2012 en het hof op 18 maart 2016. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat het financiële belang van de procedure "zeer gering" was omdat het een bedrag van € 200 niet te boven ging, zodat geen aanleiding bestond voor enige vergoeding van immateriële schade. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 2.3 een nieuwe, lagere grens vast voor het begrip "zeer gering financieel belang": Kernoverweging: > In het geval een geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft veroorzaakt. Indien het belang van een procedure uitsl…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken