ECLI:NL:HR:2016:2892

Hoge Raad 2016-12-20 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, zaaknummer 16/00346, cassatie. Kernvraag — Wanneer is sprake van een oplichtingsmiddel in de zin van art. 326, eerste lid, Sr, en meer in het bijzonder: wanneer is voldoende gemotiveerd dat een slachtoffer door het aannemen van een valse hoedanigheid is "bewogen" tot afgifte van een goed? Feiten — Verdachte heeft in de periode oktober–november 2007 via coöperatie [A] een bedrag van € 50.000,- aangetrokken van [betrokkene 1], aan wie hij had voorgehouden dat de investering een gegarandeerd rendement van 10% op jaarbasis zou opleveren. Verdachte wist op dat moment dat DNB hem bij besluit van 17 februari 2006 een last onder dwangsom had opgelegd wegens overtreding van art. 82, eerste lid, van de Wet op het Kredietwezen 1992, welke last bij beslissing op bezwaar van 15 augustus 2006 was gehandhaafd. Dit heeft verdachte niet aan [betrokkene 1] meegedeeld. Een deel van het ingelegde geld heeft verdachte voor privéuitgaven aangewend. Oordeel hof — Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bewezenverklaard dat verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid [betrokkene 1] heeft bewogen tot afgifte van € 50.000,-. Het hof redeneerde dat verdachte wist dat het 10%-rendement niet kon worden behaald en dat hij het geld deels privé aanwendde, zodat oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling en het bezigen van een valse hoedanigheid vaststonden. De motivering van het "bewogen"-vereiste bleef daarbij achterwege. Overweginge…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken