Hoge Raad 2016-12-02 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712, zaaknummer 16/01713, cassatie. Kernvraag — Dient de rechter bij niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van griffierecht alsnog te beslissen op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn? En gold daartoe een onderzoeksplicht naar de vraag of het niet betalen van griffierecht verschoonbaar was? Feiten — Belanghebbende heeft op aangifte belasting van personenauto's en motorrijwielen voldaan en daartegen beroep ingesteld bij Rechtbank Gelderland. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is betaald. Zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift had belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank deed uitspraak op het verzet en verklaarde dat ongegrond, zonder op het schadeverzoek te beslissen. Overwegingen — Middel I klaagt dat de Rechtbank had moeten onderzoeken of het niet-tijdig betalen van griffierecht verschoonbaar was (r.o. 2.2.2). De Hoge Raad verwerpt dit middel. De Rechtbank heeft wel degelijk onderzocht of sprake was van betalingsonmacht — het door belanghebbende meest voor de hand liggende verschoonbaarheidsargument — en heeft vastgesteld dat belanghebbende dit nergens heeft aangevoerd. Tot ambtshalve onderzoek naar andere mogelijke verschoonbaarheidsgronden was de Rechtbank niet gehouden, nu uit de stukken ni…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken