Hoge Raad 2019-04-19 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, zaaknummer 18/01623, cassatie. Kernvraag — Twee vragen: (1) verzet art. 47 Handvest van de grondrechten van de EU zich ertegen dat dezelfde rechter die de belastingzaak behandelt, ook oordeelt over het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn; en (2) in hoeverre dient vergoeding van wettelijke rente te worden toegekend over betaald griffierecht. Feiten — Belanghebbende (een BV) heeft op aangifte belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voldaan en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Haar gemachtigde heeft in de jaren 2010–2012 naast deze zaak duizenden andere BPM-bezwaarschriften ingediend, gevolgd door vele beroeps- en hogerberoepsprocedures. De Rechtbank kende € 500 immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof verhoogde dit bedrag naar € 2.000, daarbij oordelend dat de verknochtheid van al die BPM-zaken een bijzondere omstandigheid vormde die beide termijnen (bezwaar/beroep en hoger beroep) met elk zes maanden mocht verlengen. Het Hof wees daarnaast de vordering tot rentevergoeding over het te vergoeden griffierecht af. Oordeel hof — Het Hof aanvaardde de verknochtheid van de vele BPM-zaken als bijzondere omstandigheid in de zin van r.o. 3.5.1 van het overzichtsarrest (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252), waardoor de redelijke termijnen voor zowel bezwaar/beroep als hoger beroep met elk zes maanden werde…