Hoge Raad 2016-01-29 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:124, zaaknummer 15/03090, cassatie. Kernvraag — Is de pseudo-eindheffing hoge lonen (crisisheffing) van art. 32bd Wet op de loonbelasting 1964 in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM (eigendomsrecht), art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR (discriminatieverbod), en heeft de Wet LB 1964 voldoende wettelijke basis voor deze heffing? Feiten — Belanghebbende heeft aan twee werknemers in 2013 een loon betaald van meer dan € 150.000, waaronder bonusbetalingen in januari 2013 en een uitbetaling op grond van een ruim voor 2012 geïnitieerd aandelenplan. Op de voet van art. 32bd Wet LB 1964 heeft zij over tijdvak maart 2014 € 41.302 afgedragen als crisisheffing. De procedure maakt deel uit van een reeks proefprocedures waarover afspraken met de Belastingdienst zijn gemaakt. Het Hof Amsterdam heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de heffing in stand gelaten. Oordeel hof — Het Hof oordeelde dat de crisisheffing een voldoende wettelijke basis heeft in de Wet LB 1964, dat de regeling voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is, dat zij een legitiem doel dient en dat bij de invoering ervan een 'fair balance' in acht is genomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Overwegingen — De Hoge Raad verwerpt alle zes cassatiemiddelen. Middel I (wettelijke basis; r.o. 2.2): Art. 32bd lid 1 Wet LB 1964 bepaalt uitdrukkelijk dat de crisisheffing wordt geheven "in afwijking in zoverre van het overigens bij…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken