Hoge Raad 2016-01-29 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121, zaaknummer 15/00340, cassatie. Kernvraag — Is de pseudo-eindheffing hoog loon van art. 32bd Wet LB 1964 (de zogeheten crisisheffing) verbindend, gelet op het systeem van de loonbelasting, art. 26 IVBPR en art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP), in het bijzonder voor zover de heffingsgrondslag loon omvat dat vóór de eerste aankondiging van de regeling is genoten? Feiten — Belanghebbenden, drie concernvennootschappen, hadden in 2012 werknemers in dienst met een loon van meer dan € 150.000. Op de voet van art. 32bd Wet LB 1964 (tekst 2013) hebben zij over het tijdvak maart 2013 crisisheffing afgedragen: 16 percent van het loonexcedent boven € 150.000 berekend over het kalenderjaar 2012. De eerste aankondiging van de crisisheffing vond plaats op 25 mei 2012. Oordeel hof — Het Hof verwierp alle verweren van belanghebbenden: art. 32bd Wet LB 1964 past binnen het systeem van de wet, de crisisheffing leidt niet tot een door art. 26 IVBPR verboden discriminatie en evenmin tot een met art. 1 EP strijdige individuele buitensporige last. Het Hof bekrachtigde de voldoening op aangifte. Overwegingen — Middel I betoogt dat art. 32bd Wet LB 1964 onverbindend is omdat het systeem van de Wet, in het bijzonder art. 1 Wet LB 1964, niet toelaat dat bij de werkgever loonbelasting wordt geheven over reeds door de werknemer in de heffing betrokken loon. De Hoge Raad verwerpt dit in r.o. 2.2.2: de tekst van art.…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken