Hoge Raad 2015-04-03 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812, zaaknummer 13/04247, cassatie. Kernvraag — Is art. 17a UBIB 2001 (de leegwaarderatio) buiten toepassing te laten wanneer de uitwerking van dat forfait leidt tot een waardering van verhuurde woningen die in betekenende mate hoger is dan de werkelijke waarde in verhuurde staat? En welke bewijslast rust in dat geval op de belastingplichtige? Feiten — Belanghebbende verhuurde vijf woningen die behoren tot de rendementsgrondslag in box 3 voor het jaar 2010. Op de verhuur is huurbescherming (afdeling 5, titel 4, Boek 7 BW) van toepassing. De inspecteur heeft de waarde van de woningen vastgesteld overeenkomstig art. 5.20 lid 3 Wet IB 2001 jo. art. 17a UBIB 2001: de WOZ-waarde vermenigvuldigd met de leegwaarderatio. De gecorrigeerde WOZ-waarden lagen voor vier van de vijf woningen aanzienlijk hoger dan de bruto jaarhuur suggereerde als beleggingswaarde. Belanghebbende stelde dat de regeling onredelijk uitpakt en dat hij feitelijk bijbetaalt voor de verhuur. Zowel rechtbank als hof verwierpen dit betoog. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de inspecteur art. 5.20 Wet IB 2001 en art. 17a UBIB 2001 juist had toegepast en dat de rechter op grond van art. 11 Wet AB de innerlijke waarde of billijkheid van de wet en de daarop gebaseerde regelgeving niet mag beoordelen. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd. Overwegingen — In r.o. 2.3.1–2.3.2 stelt de Hoge Raad voorop dat het forfaitaire box-3-stelsel niet e…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken