ECLI:NL:HR:2014:930

Hoge Raad 2014-04-18 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, zaaknummer 13/04796, cassatie. Kernvraag — Kan een aanslag worden geacht binnen de driejaarstermijn van art. 11 lid 3 AWR te zijn vastgesteld indien het aanslagbiljet weliswaar vóór het verstrijken van die termijn is gedagtekend, maar niet binnen die termijn op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt? Feiten — Aan belanghebbende is een definitieve aanslag IB/PVV 2008 opgelegd. Het aanslagbiljet is in september 2011 opgemaakt en draagt als dagtekening 14 oktober 2011; de driejaarstermijn verstreek eind 2011. Het hof heeft in cassatie onbestreden vastgesteld dat het aanslagbiljet niet ter post is bezorgd. Pas op 6 februari 2012 is aan belanghebbende een kopie van het aanslagbiljet uitgereikt. Belanghebbende heeft op 2 januari 2012 bezwaar gemaakt en gesteld dat hij het aanslagbiljet niet binnen de driejaarstermijn heeft ontvangen. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de aanslag tijdig was vastgesteld omdat het aanslagbiljet vóór het verstrijken van de driejaarstermijn was opgemaakt. Het niet op de voorgeschreven wijze bekendmaken leidt volgens het hof niet tot vernietiging van de aanslag, maar enkel tot een latere aanvang van de bezwaartermijn. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 3.3.2 voorop dat art. 5 AWR de dagtekening van het aanslagbiljet als dagtekening van de vaststelling aanwijst, maar dat deze regel niet onverkort kan gelden bij de toepassing van art. 11 lid 3 AWR. De aanslagtermijn strekt erto…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken