ECLI:NL:HR:2014:878

Hoge Raad 2014-04-11 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, zaaknummer 13/01903, cassatie. Kernvraag — Kon het hoger beroep van de Inspecteur wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel kon inhoudelijke beoordeling van de aan dat hoger beroep ten grondslag gelegde grond achterwege blijven? En: mocht de Inspecteur de eerder verleende voorlopige verliesverrekeningen verrekenen met het bedrag van de aanslag in plaats van via een verliesverrekeningsbeschikking? Feiten — Belanghebbende, hoofd van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, heeft in 2004 de grond van haar bedrijfspand voor € 508.223 verkocht aan de aandeelhouders. De Inspecteur stelde de werkelijke waarde op € 3.485.000 en merkte het verschil aan als winstuitdeling. Omdat de aangifte voor 2004 een verlies vermeldde, had de Inspecteur op grond van art. 21 lid 3 Wet Vpb 1969 voorlopige verliesverrekeningen (totaal € 450.334) verleend voor de jaren 2001–2003. Rechtbank Arnhem stelde de winstuitdeling lager vast, oordeelde dat deze geheel kon worden toegevoegd aan de herinvesteringsreserve en verminderde de aanslag tot nihil, met vaststelling van een verlies van € 592.085. Oordeel hof — Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur ontvankelijk geacht op de grond dat het oordeel over de herinvesteringsreserve bindend zou zijn voor latere jaren (afschrijvingen). Het Hof heeft de winstuitdeling op een hoger bedrag vastgesteld dan de Rechtbank, maar geoordeeld dat dit het vastg…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken