Hoge Raad 2014-03-21 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, zaaknummer 12/05258, cassatie. Kernvraag — Heeft een contractueel beding dat de overdracht van vorderingen verbiedt bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW, of uitsluitend verbintenisrechtelijke werking? Feiten — Intergamma kocht elektronica van AFK Holland, waarbij de algemene inkoopvoorwaarden van Intergamma van toepassing waren. Art. 21 lid 3 van die voorwaarden verbood overdracht van rechten en verplichtingen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Intergamma. AFK Duitsland (moedervennootschap van AFK Holland) had haar vorderingen op Intergamma in het kader van een factoringovereenkomst gecedeerd aan Coface. Nadat AFK Holland Intergamma had verzocht om openstaande facturen van AFK Duitsland te betalen op een rekeningnummer van AFK Holland, heeft Intergamma twee betalingen aan AFK Holland verricht. Coface vorderde betaling van € 100.825,77 op grond van de cessie. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat een contractueel overdrachtsverbod, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, zo moet worden uitgelegd dat daarmee goederenrechtelijke werking is beoogd. Het hof baseerde zich daarvoor op HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168. Omdat de formulering van art. 21 lid 3 van de algemene inkoopvoorwaarden voor goederenrechtelijke werking wees en Coface geen feiten had gesteld die tot een ander oordeel noopten, was de cessie ong…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken