Hoge Raad 2004-02-20 — Civiel recht
Instantie en datum — Hoge Raad, 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, zaaknummer C02/219HR, cassatie. Kernvraag — Aan de hand van welke uitlegmaatstaf moet een pensioenreglement worden uitgelegd in de verhouding tussen de werknemer en het pensioenfonds: de Haviltex-norm of de CAO-norm? En heeft de rechtbank, door de grammaticale uitleg voorop te stellen, een onjuiste uitlegmaatstaf gehanteerd? Feiten — Verweerder is na beëindiging van zijn dienstverband bij DSM passief lid geworden van het pensioenfonds DSM-Chemie. Gedurende zijn latere WSW-dienstverband nam hij deel aan een individuele spaarregeling (de AOV-regeling), waaruit hij vanaf zijn pensioeningangsdatum (1 december 1999) maandelijks ƒ 137,65 ontvangt. Het pensioenfonds kort dit bedrag op zijn pensioen op grond van het anti-cumulatiebeding (art. 16 lid 5 pensioenreglement), dat bepaalt dat het pensioen dat een gewezen lid "elders op grond van een arbeidsverhouding heeft verkregen" in mindering wordt gebracht. Verweerder stelt dat de AOV-uitkering geen pensioen is maar de opbrengst van een individuele spaarregeling, zodat het beding toepassing mist. Oordeel hof — De rechtbank Maastricht vernietigde het kantonrechtersvonnis en wees de vorderingen van verweerder alsnog grotendeels toe. Zij oordeelde dat bij de uitleg van een regeling die wordt toegepast op een persoon die niet bij de totstandkoming betrokken is geweest, de grammaticale uitleg voorop dient te staan, en legde het anti-cumulatiebeding op grond van de t…