Hoge Raad 2014-12-12 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562, zaaknummer 14/00797, cassatie. Kernvraag — Op welk tijdstip en op welke wijze moet worden beoordeeld of de redelijke termijn voor berechting is overschreden, wanneer een belastingplichtige pas voor het eerst in hoger beroep om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn verzoekt? Feiten — De Ontvanger heeft aan belanghebbende aanmaningskosten van € 6 in rekening gebracht. Na bezwaar (ingediend 3 maart 2010, afgewezen 11 mei 2010) heeft de Rechtbank Den Haag op 20 juni 2012 het beroep ongegrond verklaard. Het Gerechtshof Den Haag bevestigde dit op 3 januari 2014. Belanghebbende maakte pas in hoger beroep voor het eerst aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. Het hof oordeelde dat de redelijke termijn van vier jaar (bezwaar tot hofuitspraak) niet was overschreden en wees het verzoek af. Oordeel hof — Het hof beoordeelde de redelijke termijn door de gehele periode van bezwaar tot en met de hofuitspraak als één geheel te beschouwen en stelde vast dat die periode niet meer dan vier jaar bedroeg. Het hof concludeerde dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees het verzoek om schadevergoeding af. Overwegingen — De Hoge Raad herhaalt in r.o. 2.3.1 de uitgangspunten uit HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006: de termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift; als uitgangspunt geldt een redelijke termijn van t…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken