Hoge Raad 2013-03-26 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, zaaknummer 10/03319 P, cassatie (ontnemingsprocedure). Kernvraag — Aan welke motiveringseis moet de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoen wanneer die schatting (mede) berust op een financieel rapport, en gelden daarbij andere eisen al naar gelang de bevindingen in dat rapport al dan niet gemotiveerd zijn betwist? Feiten — Het hof Den Haag legde de betrokkene een betalingsverplichting op van € 138.981,61 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op € 163.507,78 op basis van een vermogensvergelijking over de periode 1 januari 2002 tot en met 22 oktober 2002. In de procedure stonden twee discussiepunten centraal: het eigendom van een bankrekening bij de Banque Populaire in Marokko en de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring. Het hof achtte de verklaring van de betrokkene dat de rekening feitelijk aan zijn vader toebehoorde onaannemelijk en oordeelde dat zowel de rekening als de saldi aan de betrokkene toebehoorden. Oordeel hof — Het hof verwierp beide verweren, oordeelde dat de berekeningen in het financieel rapport juist waren en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 163.507,78. De overige bevindingen in het rapport waren naar het oordeel van het hof niet gemotiveerd bestreden. Overwegingen — De Hoge Raad stelt in r.o. 3.3.2 voorop dat krachtens art. 511f Sv de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts aan wettige bewijsmid…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken