ECLI:NL:HR:2013:1206

Hoge Raad 2013-11-22 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206, zaaknummer 13/01154, cassatie. Kernvraag — Is de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet (hoofdstuk IIIA SW) in strijd met het discriminatieverbod van art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM jo. art. 1 Eerste Protocol EVRM, omdat zij de verkrijging van ondernemingsvermogen bevoordeelt boven de verkrijging van overige vermogensbestanddelen? Feiten — Erflater overleed op 1 juli 2011. Aan belanghebbende, een van zijn twee kinderen, werd een aanslag erfbelasting opgelegd. Tot de nalatenschap behoorde geen ondernemingsvermogen in de zin van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Belanghebbende betoogde dat hij desondanks aanspraak kon maken op de faciliteit wegens strijd met het discriminatieverbod. De Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep ongegrond. Overwegingen — De Hoge Raad stelt voorop (r.o. 3.3.1) dat art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM jo. art. 1 Eerste Protocol EVRM niet iedere ongelijke behandeling verbieden, maar alleen behandeling die als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. Op fiscaal gebied komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Indien het onderscheid niet berust op aangeboren persoonskenmerken, moet het oordeel van de wetgever worden geëerbiedigd tenzij de keuze evident van redelijke grond ontbloot is ("manifestly without reasonable foundation"). De Nederlandse rechter mag een formele wet wegens discriminatie slechts buiten toepass…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken