ECLI:NL:HR:2011:BQ7064

Hoge Raad 2011-09-23 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064, zaaknummer 10/00767, cassatie. Kernvraag — Vormt de omstandigheid dat het hof tijdens de pleidooizitting ambtshalve een vraag over art. 3:84 lid 3 BW heeft opgeworpen, een rechtvaardiging voor een eiswijziging na de memorie van grieven of antwoord, in afwijking van de twee-conclusieregel van art. 347 lid 1 Rv.? Feiten — Ru-Pro heeft een bedrijfspand verkocht aan [eiser], waarbij de aanvullende overeenkomst een terugkooprecht voor Ru-Pro bevatte en voorzag in verrekening van opstartverliezen van Embas en IGC. Het pand is vervolgens door [eiser] aan een derde verkocht voor ƒ 2,8 miljoen. Partijen procedeerden over de verdeling van de verkoopopbrengst; het geschil draaide uitsluitend om de omvang van de opstartverliezen. In de eindfase van het hoger beroep stelde het hof tijdens de pleidooizitting ambtshalve de vraag op of de koopovereenkomst nietig was wegens strijd met art. 3:84 lid 3 BW. Naar aanleiding daarvan wijzigde Ru-Pro haar eis bij antwoordmemorie na pleidooi aldus dat de volledige overwaarde aan haar toekomt. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat de eiswijziging toelaatbaar was omdat zij was ingegeven door de ambtshalve door het hof opgeworpen vraag over art. 3:84 lid 3 BW, hetgeen een uitzondering rechtvaardigde op de twee-conclusieregel. Vervolgens beoordeelde het hof de aanvullende overeenkomst als strijdig met art. 3:84 lid 3 BW, waardoor de levering van het bedrijfspand geen geldige titel…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken