ECLI:NL:HR:2011:BP6285

Hoge Raad 2011-03-04 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, zaaknummer 10/04026, cassatie. Kernvraag — Hanteert de Centrale Raad van Beroep de juiste maatstaf bij de beoordeling van ingezetenschap in de zin van art. 2 en 3 AKW, in het bijzonder door te verlangen dat het middelpunt van het maatschappelijke leven in Nederland is gelegen en door de relevante omstandigheden te rubriceren in uitsluitend juridische, economische en sociale bindingsfactoren? Feiten — Belanghebbende heeft de Vietnamese nationaliteit en verblijft sinds 2000 in Nederland. Op 12 februari 2007 is haar met terugwerkende kracht vanaf 20 oktober 2000 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, en vanaf 1 april 2001 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend. Zij genoot geen eigen inkomen en was afhankelijk van zakgeld en giften van familie. In het eerste kwartaal van 2007 vroeg zij kinderbijslag aan; de SVB kende deze toe met ingang van het tweede kwartaal 2007. In geschil was of zij reeds vanaf het eerste kwartaal van 2006 als ingezetene kon worden aangemerkt op grond van art. 14 lid 3 AKW. Oordeel hof — De Centrale Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Hij stelde voorop dat bepalend is in welke mate sprake is van een sociale, economische en juridische binding met Nederland, en dat ingezetenschap aanwezig is zodra het middelpunt van het maatschappelijke leven in Nederland is gelegen. Op basis van dit kader oordeelde hij dat vóór het tweede kwartaal van 2007 geen juridische bin…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken