ECLI:NL:HR:2011:BP4003

Hoge Raad 2011-04-29 — Civiel recht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003, zaaknummer 10/01282, cassatie. Kernvraag — Aan de hand van welke maatstaf moet worden beoordeeld of een effectenleaseovereenkomst (restschuldproduct) naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legt, en in hoeverre mogen daarbij het inkomen en vermogen van de partner van de afnemer worden betrokken? Feiten — [AB] sloot in 1999 een effectenleaseovereenkomst met een rechtsvoorgangster van Dexia. Hij leende een bedrag waarmee hij effecten kocht en leasete van Dexia; waardeveranderingen kwamen voor zijn rekening. Na voortijdige beëindiging van de overeenkomst resteerde een schuld (restschuld) doordat de effectenopbrengst ontoereikend was. [AB] vorderde terugbetaling van driekwart van hetgeen hij aan Dexia had betaald wegens schending van de zorgplicht. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat Dexia wegens schending van haar waarschuwingsplicht tweederde van de onbetaald gebleven restschuld voor haar rekening moest nemen. De vordering van [AB] werd echter afgewezen omdat hij de restschuld in het geheel niet aan Dexia had voldaan en Dexia haar reconventionele vordering had prijsgegeven. De betaalde rente werd niet vergoed omdat de overeenkomst, bij toepassing van de door het hof gehanteerde rekenformule (totaal rente plus hoofdsom gedeeld door het aantal maanden looptijd), naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last op [AB] legde. Overwegingen — De Hoge…