ECLI:NL:HR:2011:BP1466

Hoge Raad 2011-01-21 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, zaaknummer 10/00563, cassatie. Kernvraag — Is voor het aannemen van ingezetenschap in de zin van art. 2 en 3 AKW (mede) vereist dat de betrokkene een economische binding met Nederland heeft, en mogen de relevante omstandigheden worden gerubriceerd in uitsluitend juridische, economische en sociale bindingsfactoren? Feiten — Belanghebbende heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit en verblijft sinds 2000 in Nederland. In 2005 beschikte hij over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (ingaande 18 februari 2003). Zijn directe familie woont in Nederland, zijn kinderen gaan er naar school, en belanghebbende heeft zijn sociale banden met het land van herkomst verbroken. In 2005 verrichtte hij vrijwilligerswerk en volgde hij een HBO-opleiding gericht op toekomstige inkomensverwerving, waarvoor hij een onkostenvergoeding ontving. De Sociale verzekeringsbank wees zijn aanvraag om kinderbijslag over 2005 af wegens het ontbreken van ingezetenschap. De Centrale Raad van Beroep bekrachtigde die afwijzing, overwegende dat bij het ontbreken van economische binding — ook in combinatie met de aanwezige sociale en juridische bindingen — geen woonplaats in Nederland kon worden aangenomen. Oordeel hof — De Centrale Raad rubriceerde de relevante omstandigheden in juridische, economische en sociale bindingsfactoren en achtte economische binding noodzakelijk om, bij een slechts beperkte juridische binding, een woonpla…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken