ECLI:NL:HR:2010:BN0578

Hoge Raad 2010-11-23 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad (strafkamer), 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, zaaknummer 09/02710, cassatie. Kernvraag — In hoeverre kan een vermogen — en een betaling daaruit — worden aangemerkt als "onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf" in de zin van art. 420quater Sr (en art. 420bis Sr), wanneer aan dat vermogen op enig moment van misdrijf afkomstig geld is toegevoegd dat door vermenging niet meer als zodanig kan worden geïndividualiseerd? Voorts: moest de verdachte redelijkerwijs vermoeden dat het door haar ontvangen bedrag van € 1.200.000,- mede crimineel van herkomst was? Feiten — Verdachte heeft in december 2002 haar vennootschap [ZZ] B.V. voor € 1.200.000,- verkocht aan [GGG] B.V., bestuurd en gecontroleerd door [C]. Begin jaren negentig was ruim drie miljoen gulden afkomstig uit drugsmisdrijven in het vermogen van [GGG] gevloeid en daarmee vermengd geraakt, zonder dat dit criminele deel zich daarna nog liet individualiseren. Verdachte was vóór de transactie bekend met krantenberichten over de criminele reputatie van [C], wist dat hij met criminelen omging, kende personen uit zijn omgeving met een criminele reputatie ([F], [LLL]), en heeft desondanks geen enkel onderzoek gedaan naar de herkomst van het koopbedrag. Ook na 2002, toen [C] in de media herhaaldelijk als witwasser werd aangeduid, heeft zij geen stappen ondernomen om de herkomst te achterhalen. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat het criminele geld dat in het vermogen van [GGG] wa…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken