ECLI:NL:HR:2010:BM9968

Hoge Raad 2010-10-26 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, zaaknummer 08/04999, cassatie. Kernvraag — Mag de rechter bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening houden met een erkenning van een niet tenlastegelegd en niet ad informandum gevoegd strafbaar feit, begaan vóór de tenlastegelegde periode? Feiten — Verdachte is veroordeeld wegens het in de periode van 1 september 2006 tot en met 23 januari 2007 opzettelijk afleveren en vervoeren van meer dan 30 gram hasj, gepleegd in georganiseerd verband. Het hof heeft bij de strafoplegging ten nadele van verdachte meegewogen dat hij heeft erkend zich al vanaf begin 2005 met de handel in verdovende middelen te hebben beziggehouden. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat, hoewel in beginsel een hogere straf passend zou zijn, met inachtneming van een aantal strafmatigende omstandigheden kon worden volstaan met een straf waarvan het onvoorwaardelijke deel reeds was uitgezeten. Daarbij werd de erkenning van de handel in verdovende middelen vanaf begin 2005 als strafverzwarende omstandigheid meegenomen. Het hof legde een gevangenisstraf op aangevuld met een werkstraf en een geldboete. Overwegingen — Het middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, rekening heeft gehouden met strafbare feiten die niet zijn tenlastegelegd noch ad informandum zijn gevoegd (r.o. 2.1). Kernoverweging: > Het staat de rechter op zichzelf vrij om bij de strafoplegging rekening te houde…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken