ECLI:NL:HR:2010:BK3359

Hoge Raad 2010-03-16 — Strafrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, zaaknummer 08/04489, cassatie (beroep ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof). Kernvraag — In hoeverre is de rechter, wanneer hij tot een bewezenverklaring komt, verplicht een alternatieve lezing van de verdachte te weerleggen door middel van bewijsmiddelen, en kan hij volstaan met het oordeel dat die lezing niet aannemelijk is of als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld? Feiten — Verdachte werd vervolgd voor moord dan wel doodslag op zijn echtgenote op 15 maart 2006 in Venray. Het technisch bewijs (bloedsporen in een toilet bij derden, een bloedspoor op zijn auto, en een schoenspoor onder het lichaam van het slachtoffer) was verenigbaar met zowel de versie van de officier van justitie als met de alternatieve verklaring van de verdachte. Die alternatieve verklaring — dat twee onbekende mannen de woning waren binnengedrongen, dat het slachtoffer daarbij een hoofdwondje had opgelopen en dat verdachte haar bloed aan zijn handen had gekregen — werd pas anderhalf jaar na het overlijden, nadat de sporenonderzoeksresultaten bekend waren, door verdachte naar voren gebracht. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat het technisch bewijs weliswaar verenigbaar was met schuld van verdachte, maar stelde vervolgens de vraag of de alternatieve lezing van verdachte zo onwaarschijnlijk was dat zij geen weerlegging behoefde. Die vraag beantwoordde het hof ontkennend. Het hof overwoog dat het late tijdstip waarop…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken