Hoge Raad 2010-02-26 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, zaaknummer 43050bis, cassatie (vervolgarrest na prejudiciële beslissing HvJ EU). Kernvraag — Onder welke voorwaarden is toepassing van de verlengde navorderingstermijn van art. 16 lid 4 AWR op buitenlandse tegoeden verenigbaar met de vrijheid van diensten en het vrije kapitaalverkeer (artt. 49 en 56 EG), en levert de overschrijding van de reguliere vijfjaarstermijn van art. 16 lid 3 AWR in het onderhavige geval schending op van het evenredigheidsbeginsel? Feiten — Belanghebbende hield spaartegoeden aan in een andere lidstaat en had de inkomsten daaruit verzwegen voor de Nederlandse belastingautoriteiten. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op met toepassing van de twaalfjaarstermijn van art. 16 lid 4 AWR, alsmede een boete. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde de aanslag. In cassatie stelde de Hoge Raad bij arrest van 21 maart 2008 (nr. 43050) prejudiciële vragen aan het HvJ EU, dat op 11 juni 2009 (C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222) antwoord gaf. Overwegingen — Het HvJ EU verklaarde voor recht dat artt. 49 en 56 EG zich niet verzetten tegen toepassing van een langere navorderingstermijn voor in een andere lidstaat aangehouden tegoeden waarvan het bestaan voor de belastingautoriteiten is verzwegen en waarover zij geen aanwijzingen hadden. Het bankgeheim van de andere lidstaat is daarvoor niet relevant. De Hoge Raad leidt hieruit in r.o. 2.1.1 af dat de verlengde navorderingstermijn in beginsel…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken