Hoge Raad 2009-09-25 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524, zaaknummer 07/13362, cassatie. Kernvraag — Mag de inspecteur heffingsrente in rekening brengen over de gehele periode tot dagtekening van de definitieve aanslag, ook als hij niet binnen drie maanden na indiening van de aangifte een (voorlopige) aanslag heeft opgelegd en die vertraging aan de Belastingdienst te wijten is? Feiten — Aan belanghebbende is op 22 januari 2003 een voorlopige aanslag IB/PVV voor 2003 opgelegd. Op 30 juni 2004 heeft hij aangifte gedaan naar een hoger belastbaar inkomen. Hij heeft de inspecteur niet om een nadere voorlopige aanslag verzocht. De definitieve aanslag is opgelegd met dagtekening 15 april 2005, ruim negen maanden na de aangifte, dus meer dan drie maanden later. De inspecteur heeft € 160 heffingsrente in rekening gebracht over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 15 april 2005. Ter zitting van het hof heeft de inspecteur verklaard dat niet te verklaren is waarom er niet eerder een aanslag is vastgesteld. Oordeel hof — Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de inspecteur niet binnen drie maanden na indiening van de aangifte een (voorlopige) aanslag heeft opgelegd, niet meebrengt dat het tijdvak waarover heffingsrente mag worden berekend moet worden beperkt. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Overwegingen — De Hoge Raad verwerpt in r.o. 3.4 het betoog dat art. 30f AWR op grond van de wetsgeschiedenis aldus moet worden uitgelegd dat na het ver…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken